Ik kwam deze week het Japanse woord tsundoku tegen, wat het vergaren van boeken beschrijft zonder ze werkelijk te lezen. Ik voelde me wat aangesproken en tegelijk opgelucht dat tsundoku al eeuwenlang een ding is. Terwijl mijn stapel ongelezen boeken alleen maar groter wordt, kom ik thuis van de bibliotheek met nog meer boeken die ik eerst lees, vaak omdat ze weer terug moeten.
Na wat zoeken naar hoe ik beter kan omgaan met een neiging tot tsundoku, kwam ik erachter dat het in Japan niet als een negatieve eigenschap wordt gezien. Ongelezen boeken helpen ons hoopvol te blijven; ze inspireren ons om de passie en het enthousiasme waarmee we het boek kochten levend te houden. Umberto Eco beschreef het resultaat van zijn eigen vorm van tsundoku als het hebben van een “anti-bibliotheek”. Voor hem was het een fysieke herinnering aan de vergankelijkheid van zijn weten, een hommage aan alles wat hij niet wist en wat hij weer zou vergeten.
Mijn ongelezen boeken zijn een memento mori, objecten die me bewust maken van mijn vergankelijkheid. Ze herinneren me eraan om, in de korte tijd die ik op aarde heb, iets wezenlijks tot stand te brengen. Ik kijk dagelijks naar mijn boekenkast en koppel mijn boeken aan toekomstplannen en projecten die in de ijskast liggen. Zo houden de boeken mij scherp, helpen mij om afleiding te weren, en vragen mij of ik met de juiste dingen bezig ben.
De winter haar werk laten doen
Toch bekruipt mij soms een unheimlich gevoel. In mijn zoektocht om mijn leven wat beter te begrijpen, lees ik woorden die allemaal om een groot mysterie cirkelen, zonder het ooit volledig te duiden. Met mijn weten tast ik het donker, en door het onbekende te willen begrijpen voelt het alsof ik het spel van het leven te snel probeer uit te spelen.
De winter laat me zien dat alles uiteen moet vallen in dat mysterie. Het wordt vanzelf donkerder, totdat het niet donkerder meer kan. Overgave helpt me daar goed mee om te gaan, want ik begrijp dat de winter haar werk in mij moet voltrekken, onttrokken aan mijn bewustzijn, autonoom en voorbij mijn eigen wil.
In zeldzame, bezielde momenten zie ik een schittering, als een reflectie van de zon op het water, en wordt het onbekende kortstondig verlicht. Wanneer de zon ondergaat, heb ik mijn hoop op dat licht nodig. Dus durf ik te geloven dat er een bedoeling is, dat het mysterie in mijn leven ergens naartoe op weg is. Die wetenschap houdt me gaande totdat in de prille lente het licht, uit het ogenschijnlijke niets, opnieuw in mijn leven komt.
Hetzelfde mysterie herken ik in mijn ongelezen boeken. De boeken zijn de tastbare herinnering aan alles wat ik niet weet en nooit volledig zal begrijpen. Ook zijn ze een expressie van mijn hoop, die me helpt de nacht door te komen. Totdat ik er een open sla, en opnieuw begin.
Gepubliceerd op door Sacha Post. Dit essay is onderdeel van de wekelijkse brieven. Ontdek meer essays over winter in de archieven.