De vroege ochtend, voordat de zon opkomt, kan me niet lang genoeg zijn. Ik geniet van de stille, donkere uren voor het licht wordt, de tijdloze tijd van Kairos, waarin ik de aandacht heb voor creatief werk dat traag gaat, dat het rumoer van een wakkere wereld slecht verdraagt. Hoewel het weer geenszins laat blijken dat we de winter in bewegen, de winterwende komt langzaam dichterbij. Wat er ook gebeurt, het ritme van licht en donker is eeuwig.
In een boek over de winter lees ik over een Schot, wonend op een van de straffe eilanden aan de noordelijke kust van Schotland, die de winter beschrijft als een aftellen naar het donker; ‘je kunt niet geloven dat je steeds dieper en dieper dat duister ingaat, en net als je denkt dat het niet meer donkerder kan, begint het weer licht te worden.’ Dit deed me denken aan de slotstrofen van psalm 88, een gedicht geschreven door iemand in zijn laatste uren, ‘als een watervloed die aldoor hoger stijgt, die van alle kanten op mij afkomt, vrienden hebt u mij ontnomen, slechts het duister is mijn bondgenoot.’ De winter is van alle tijden en staat gelijk aan onze ogenschijnlijke dood.
Ik sta bevroren tussen twee werelden in. Met het vallen van de laatste bladeren moeten de laatste openstaande zaken op orde komen, de dingen die me weerhouden om in acceptatie het stille midden van het jaar in te stappen. In de donkere tijd maakt het leven mij tot as, de vruchtbare grond waar nieuw leven ingeblazen wordt. Dat autonome proces kan ik in de weg zitten door koste wat het kost vast te houden aan mijn gekoesterde identiteiten, de dingen die bij mij “horen”, waar ik aan verknocht ben.
Ieder jaar word ik uitgenodigd opnieuw te oefenen met de dood. Niemand kan voorbij het mysterie van de dood kijken, enkel speculeren en hopen. Hoop is mijn enige anker wanneer al het andere vergaat. En die hoop ligt verankerd in een diep vertrouwen dat het leven in wezen goed is; liefde is de bodem waarin mijn hoop zich kan vestigen.
Dit jaar voel ik me voor het eerst in vrede met het duister. Dat wil niet zeggen dat het me onverschillig laat, maar eerder dat ik de rust in mijzelf heb gevonden om niet te weten wat komen gaat. Dit helpt me om zonder vrees af te dalen in het donker en het mysterie in de ogen te kijken.
Gepubliceerd op door Sacha Post. Dit essay is onderdeel van de wekelijkse brieven. Ontdek meer essays over winter, herfst, of lente in de archieven.